1980 : stillegging steenproductie Plasserwaard   
Leegstand tot 1987
1987 : aankoop door Beetstra, de Jonge, Saat: oprichting maatschap Plasserwaard
 aanvraag bestemmingswijziging ; , eerste herstelronde fabriek, 5000 dakpannen vervangen, laadperron zuid gerestaureerd, oorlogsschade hersteld
1992 : bestemmingswijziging een feit; geen bedrijven, slechts 25 % woonbestemming.
1993 : evaluatie door de Maatschap; Saat en Beetstra worden uitgekocht door de Jonge
De bestemmingswijziging plus de afgegeven bouwvergunning zijn het maximaal haalbare in de politieke context, zijn echter zeer mager wat betreft financiele haalbaarheid.
1995 : De beleidslijn Ruimte voor de Rivier wordt van kracht (alle bouwvergunningen, bestemmingswijzigingen in de uiterwaarden worden bevroren). Populistische wetgeving onmiddellijk na de  hoge waters van 93 en 95. 
De toenmalige Rijksdienst Monumentenzorg begint interesse te tonen voor de steenfabriek en wil het predikaat Rijksmonument verlenen op voorwaarde van het inleveren van de bouwvergunning.
Eerste spagaat :
- het bouwplan aan de hand van een doodgedebatteerde bestemming vindt ook de Jonge niet fraai; inleveren van de bouwvergunning met de geldende beleidslijn betekent : nooit geen nieuw bouwplan meer, maar wel mogelijk de Rijksmonumentenstatus.
Een duivels dilemma. Er wordt gekozen voor het inleveren van de vergunning in de hoop op genuanceerd beleid.
Dit betekende, dat geen bouwvergunning meer verleend kon worden, en dat ook geen bestemmingswijziging meer toegestaan was.
Tussen ca. 1995 en 2005 waren de sleutelwoorden voor de Plasserwaard : overleven en lobbyen. Overleven in de zin van : zonder zelfs maar zicht op een goede functie het gebouw blijven onderhouden en in de tussentijd de lobby voeren voor een duurzame oplossing.
In 2004 ondersteunde de Rijksdienst Cultureel Erfgoed de Plasserwaard met de verlening van de Rijksmonumentenstatus.
Het belang van een goede functie werd hiermee wel zeer relevant, waardoor uiteindelijk in 2005 de zgn. EMAB status aan de Plasserwaard werd toegekend. Deze nieuwe ministeriele vinding gaf 15 specifieke locaties in de Nederlandse uiterwaarden het recht om, onder voorwaarden, te mogen (ver)bouwen.
De euforie op deze 15 plekken verstomde snel, toen bleek dat de voorwaarden uiterst lastig waren in te vullen. Het ging daarbij met name om de eis tot rivierkundige winst.
Voor de Plasserwaard betekende dit bijvoorbeeld de eis om via grote afgravingen of zelfs rivierverleggingen tot waterstandsverlaging te komen. Gesprekspartners in die tijd waren Rijkswaterstaat, de gemeente, het Waterschap en het  Utrechts Landschap. De steenoven zelf stond op 1,3 hectare in bezit van de Jonge, zodat er gegraven moest worden op het terrein van de buren. Maar die wilden niet, of anders liever 20 km stroomafwaarts. Dan was het Landschap ook lekker goedkoop uit met een stuk natuurontwikkeling.
Na een jaar moeilijk, kwam dan toch de broodnodige wettelijke nuancering. In 2006 werd de beleidslijn aangepast: functiewijziging in bestaande bebouwing werd weer mogelijk. Dus niks geen gegraaf meer bij de buren, maar gewoon met de core bussiness aan de gang : het restaureren en herbestemmen van de steenoven.
Groen licht dus voor functiewijziging in 2006, maar intussen was de Plasserwaard onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur geworden.