Geschiedenis Wageningse baksteenindustrie

Steenoven de “Plasserwaard” dateert, zoals hij er nu staat, uit 1930. het is een zgn. vlamoven’. Voor 1930 stond er al lange tijd een veldoven. In een veldoven werden de te bakken stenen los opgestapeld tussen twee vaste muren in en vervolgens afgedekt met een laag klei. Onder de stenen bevonden zich een aantal brandhaarden, die door poortjes in de twee muren van brandstof werden voorzien. Dit systeem werd voor 1900 vrijwel algemeen toegepast en bleef hier en daar in gebruik tot vlak na de tweede wereldoorlog. Het kostte veel brandstof en leverde een erg wisselend baksel op. Een ruine van zo’n veldoven is nog te zien in Renkum tussen de ruine met pijp (aan de Rijn) en de Parenco-fabriek.

Men zocht naar betere bakprocede’s en kwam in het begin van de twintigste eeuw tot de zgn. ‘continue’ ovens. Vanaf 1910 werden de ovens gebouwd die we hier en daar nog zien met hun markante schoorstenen. De vlamoven, zoals “de Plasserwaard”, werd in 1914 uitgevonden. Hier werden straatklinkers gebakken, waar vroeger grote behoefte aan was. Er zijn in ongeveer 25 jaar tijd wel 75 van deze soort ovens in Gelderland gebouwd.

Na de veldovens ontstond de ringoven . dit is een doorlopende ringvormige oven. Het bakken werd een continu proces. Het baksel levert zowel harde als zachte stenen op en de steenoven op de Blauwe kamer is daar eeen voorbeeld van. een variatie hierop is de zig-zag-oven zoalsdie van de Bovenste Polder. de vlamoven daarentegen, bestaat uit aparte kamers, waarin het vuur regelmatiger brandt. Zo onstaat een eenvormig baksel, bijvoorbeeld straatklinkers. Tenslotte ontstond de tunneloven waar de stenen op een wagentje door de brandende oven heen rijden. Dit systeem wordt nu algemeen toegepast.

De ontwikkeling van de steenindustrie gaat erg snel. Na enkele tientallen jaren van produktie ligt een fabriek al weer stil. Hierbij spelen natuurlijk ook de wisselende markt voor baksteen en economische factoren een rol. In het begin van de vorige eeuw waren er in Gelderland ongeveer 150 steenfabrieken, terwijl er eind jaren 80 nog een 25 -tal over zijn. Vele zijn reeds gesloopt of ingestort. Het onderhoud is moeilijk en duur en bestemmingen worden na sluiting nauwelijks gevonden. Van de vijf Wageningse fabrieken die er ooit waren, werkt er nu geen enkele meer: twee zijn gesloten en een verkeert in deplorabele toestand. In heel de provincie zijn anno 1987 nog zo,n 15 fabrieken te vinden die een min of meer monumentaal karakter hebben en het behouden waard zijn. Hiervan bevinden zich er dus drie in Wageningen: van elk type een.

De meeste steenovens werden vroeger met steenkool gestookt. De “Plasserwaard” had aan de rivier een eenvoudige loskade voor de aanvoer van steenkool per schip. Vanaf het schip werd de steenkool met lorries naar dezolder van de oven getransporteerd, waar het aan de zijkant onder het dak werd opgestapeld. Al het transport op het fabrieksterrein ging per spoor met lorries die door paarden werden getrokken.Er liggen nog altijd stukken rails naast het huis en ook de stal waar de paarden stonden, is nog te zien. Later namen stoom- en diesel-lokomotieven de plaats van de paarden in. De oude schuur op het terrein was de smederij en reparatieloods voor deze locs. Eerst werd de klei uit de putten in de uiterwaarden gehaald en naar de vomplaats gebracht. Hier werden stenen gevormd, eerst met de hand en later machinaal. De gevormde stenen gingen naar de droogplaats, de zgn. baan en/of naar de droogschuren, het zgn. rekkenveld. Na enkele weken drogen werden ze naar de ovens gebracht om gebakken te worden.

Per jaar werden op de “Plasserwaard” zo’n 8 miljoen stenen gebakken. het principe van het bakken ging als volgt: nadat een oven was volgestapeld met de te bakken stenen werd de ingang dichtgemetseld (de grote deuren zijn er later ingezet) en werd het vuur ontstoken. De stoker, die op de zolder boven de ovens werkte, gooide nu kolen door de gaten in het ovendak op het vuur, zodanig, dat de temperatuur en de stooktijd nauwkeurig werden gecontroleerd. De temperatuur lag op maximaal ca. 1100 graden Celcius. In doorsnede zag dit bakproces er als volgt uit:

Als de stenen gebakken waren, werd de volgende oven die ernaast lag, ontstoken. Zodoende vond er een continu stookproces plaats van oven naar oven. Als de stenen afgekoeld waren, werd de oven leeggehaald en opnieuw gevuld. Het hele proces van vullen tot leeghalen duurde drie tot vier weken. Op de “Plasserwaard” is er volgens deze methode gebakken tot het begin van de zestiger jaren. Daarna zijn er devolgende moderniseringen doorgevoerd:

  1. Grote stalen deuren vervangen de kleine in- en uitrijpoortjes die nog te zien zijn op de Blauwe Kamer. Zo kan de kruiwagen worden vervangen door de heftruck.
  2. De zgn. vlammuurtjes waarachter het vuur brandde, zijn gesloopt.
  3. Er is een gasinstallatie ingebouwd. De ovens werden nu d.m.v. branders gestookt, die op verschillende plaatsen door het ovendak werden gestoken.
  4. Er werden nu geen straatklinkers meer gebakken, maar gewone metselstenen. Ook werden er geen stenen meer gevormd, er werd enkel gebakken.

Door de instortende baksteenmarkt en de stijgende productiekosten is de oven van “De Plasserwaard” in 1980 definitief stilgelegd. Na veel plannen, waaronder een steenbakkerij-museum is de steenfabriek in 1987 aangekocht door de huidige eigenaar.

Bovenstaand artikel werd omstreeks 1989 geschreven door voormalige eigenaar van de Plasserwaard Wytze Beetstra, in het het kader van van een scholierenexcursie .